Auteur: Jiska de Vries
Pleidooi
voor de herwaardering van dat wat niet te definiëren valt –
Hoe
het rendementsdenken in de politiek leidt tot de ontheiliging van het
individueel belang
Verslag
van een persoonlijke zoektocht naar het nut van kunst en waarom er
onevenredig veel bezuinigd is op kunst en cultuur door het kabinet
Rutte I
In het jaar dat
kabinet Rutte 1 aan de macht kwam (2010) en onevenredig veel
bezuinigde op kunst en cultuur vroeg ik mij af wat het nut van kunst
eigenlijk is, of er wel zoiets bestaat als het nut van kunst, en zo
ja; hoe zou ik dat nut dan kunnen omschrijven?
Dat werd mijn motief
voor het schrijven van een verkennend onderzoek naar de mogelijke
motieven van het kabinet Rutte I om onevenredig veel te bezuinigen op
kunst en cultuur.
Toen ik klaar was
met schrijven, viel het kabinet (2012).
Dit is het verslag
van mijn onderzoek.
Vooraleerst ben ik
via verschillende woordenboeken en encyclopedieën de verschillende
definities die er bestaan over het begrip 'nut' gaan onderzoeken en
analyseren. Dit om een beeld te kunnen schetsen van hoe talig de
definitie van 'nut' eigenlijk is en hoe snel je daarbij op
onevenredigheden en verwarrende definities stuit.
Door het definiëren
van het 'nut' ontstond er de conclusie dat een daadwerkelijke
definitie van het begrip 'nut' mijns inziens pas kan ontstaan door
het algehele beeld dat geschetst wordt door meerdere definities naast
elkaar te leggen.
Het was moeilijk een
definitieve definitie te vinden omdat de ene definitie bijv. wel
correct omschreven was, edoch niet allesomvattend. Terwijl de andere
definitie erg kort-door-de-bocht was, maar daardoor wel dichter bij
de werkelijkheid leek te staan de andere.
In de Westerse
maatschappij lijkt er de 'gedefinieerde consensus' te zijn bereikt
dat het nut van 'iets' bepaalt moet worden naar de mate waarin het
iets (positiefs) oplevert, voor de mens in het algemeen of de mens
als individu.
Via de definitie van
het nut ben ik terecht gekomen bij Peter Venmans, waarvan ik meer heb
geleerd over wat het begrip nut allemaal impliceert, en over het
'utilitarisme' van Bentham (later Mill). Tijdens het lezen van Peter
Venmans' boek 'Over de zin van nut' kwam ik erachter dat het
nutsdenken zowel in mij, als ook in grote mate in de maatschappij
zoals wij die nu kennen verweven zit.
Veel meer dan ik mij
tot dat moment bewust was.
Hierna kwam ik
terecht bij het begrip 'geluk' en wat dat begrip impliceert. Hierbij
kwam ik via persoonlijke bespiegeling tot de conclusie dat de
perceptie van geluk wat mij betreft voor een groot deel te maken
heeft met de mate waarin ik het gevoel heb controle te hebben over
mijn eigen leven.
Ik kwam erachter dat
er ook momenten zijn dat 'nut' en 'geluk' samen kunnen gaan.
Bijvoorbeeld als men
geniet van het werk dat men doet.
Ook kwam ik erachter
dat het moeilijk is geluk te meten, maar dat het begrip 'geluk' deels
te maken heeft met 'genieten'. 'Genieten' kan – zo heeft het lezen
over utilitarisme mij geleerd – vervolgens worden opgedeeld in
'hogere' en 'lagere' genietingen.
Het verschil tussen
lagere en hogere genietingen zit hem in het aspect van gemak.
Hoe complexer
hetgeen in elkaar zit waarvan men geniet, bijvoorbeeld klassieke
muziek, hoe 'hoger' de genieting wordt genoemd. Het is het verschil
tussen bijvoorbeeld het luisteren naar klassieke muziek en 'simpel te
begrijpen' volksmuziek.
Voor het laatste
hoeft men weinig moeite te doen om het te begrijpen en er aldus van
te kunnen genieten. Voor het eerste wel. Want klassieke muziek is van
zichzelf minder toegankelijk om naar te luisteren (omdat het
complexer in elkaar zit).
Voorts zijn volgens
Mill complexe genoegens van een hogere orde dan de eenvoudigere
vormen van genieten. Het verschil tussen het luisteren naar
hoogstaande klassieke muziek en het kijken naar een voetbalwedstrijd.
Volgens Mill zijn de
eerste genietingen niet alleen een hogere en complexere vorm van
genieten, ze zijn volgens Mill ook bevredigender.
Toch moet iedereen
met een klein beetje realiteitszin constateren dat de meer
eenvoudigere genietingen, zoals het kijken naar een voetbalwedstrijd,
in de huidige tijd en in ons land in ieder geval op meer publiek en
waardering kunnen rekenen dan de zogenoemde 'hogere vormen' van genot
(hiermee wil ik trouwens niet zeggen dat kijken naar een
voetbalwedstrijd per definitie laag-bij-de-gronds zou zijn; dat zou
te ver gaan).
Wellicht worden
'hogere vormen van genieten' minder gewaardeerd omdat complexere
genoegens meer moeite kosten om op te zoeken, te begrijpen en
daardoor te kunnen beleven?
Is het niet zonde
dat zoveel mensen die complexere vormen van genieten mislopen?
En wat vindt Mill
daar eigenlijk van?
Peter
Venmans verteld
het u:
Peter Venmans –
'Over de zin van nut' (pag.84):
''Volgens Mill
vergissen zij zich – hij kan niet anders zeggen – maar dat hoeft
niet zo erg te zijn, want daar speelt de vrijheid ten volle.''
Zou het echt
vrijheid zijn die hierbij een rol speelt?
Dat betwijfel ik.
Natuurlijk heeft
iedereen in ons land in theorie (!) de vrijheid om keuzes te maken in
de vormen van genot. Toch is het mijns inziens de vraag of mensen die
keuze wel adequaat kunnen maken.
Voor mensen die
nooit enige vorm van scholing hebben genoten over bijvoorbeeld
schilderkunst of klassieke muziek, zal het genieten hiervan
waarschijnlijk niet snel tot de keuzemogelijkheden behoren (een
enkele nieuwsgierige uitzondering daargelaten).
En laat dat nou het
gat zijn dat het onderwijs tot nog toe niet gedicht heeft.
Er is op de lagere
en middelbare school voor het gros van de leerlingen slechts in zeer
beperkte mate onderwijs over wat kunst is of wat klassieke muziek is;
en vooral, wat de verschillende manieren zijn om hiernaar te kijken
en/of luisteren.
Naast onderwijs zou
hierin opvoeding nog een verschil kunnen maken. Toch is de tendens in
ons land de afgelopen jaren dat de opvoeding hoofdzakelijk wordt
uitbesteed aan het onderwijs.
Van ouders hoeven we
denk ik dus niet veel te verwachten wat dit betreft.
Bovendien, ook al
zouden sommige ouders hun kinderen iets willen bijbrengen over
bijvoorbeeld kunst of klassieke muziek, zij zullen hierin
waarschijnlijk in veel gevallen ook (te) weinig onderwijs hebben
genoten, en zo zullen ook zij waarschijnlijk al te vaak met 'lege
handen' komen te staan.
Terwijl enig begrip
van een kunstwerk, bepaalde kennis over een kunstenaar of over de
kunstgeschiedenis de perceptie van kunst bij 'het grote publiek'
mijns inziens al zou kunnen doen veranderen.
Ik denk dat veel
mensen zich als het ware buitengesloten voelen door de ´schone
kunsten´ zoals klassieke muziek en beeldende kunst, eigenlijk door
alle bronnen die kunnen leiden tot hogere, complexere vormen van
genot; omdat zij het niet begrijpen.
Men begrijpt het
werk van de musicus of kunstenaar niet of slechts in geringe mate, en
dat onbegrip roept – volgens mij – weerstand op. Vervolgens
wordt het 'nut' ervan in twijfel getrokken. Want wie niet begrijpt
wat iets betekent, of zou kunnen betekenen, kan ook niet zien wat het
hem/haar kan 'opleveren'.
Om even in
utilitaristische termen te blijven spreken.
Bij een loodgieter
is het duidelijker; de gootsteen zit verstopt en de loodgieter komt
het probleem wel even oplossen.
Daar valt weinig aan
af te dingen.
Bij een kunstenaar
ligt de 'opbrengst' van zijn of haar werk op een veel abstracter
(soms ondefinieerbaar) niveau. En met te weinig begrip en/of vermogen
om te begrijpen wat dat abstracte betekent, kan deze opbrengst al
snel als ´verwaarloosbaar´ worden aangezien.
Interessant wanneer
ik mijn voorgaande zinnen teruglees, vind ik de woorden 'daar valt
weinig aan af te dingen'. Dat geeft een economische manier van
redeneren weer, en de woordkeuze lijkt mij een kant en klare uiting
van het rendementsdenken.
Het moge duidelijk
zijn dat ook ik een kind ben van deze tijd, de tijd waarin het
utilitaristisch denken tot een ware volkssport lijkt te zijn
verheven.
In het
utilitaristisch streven naar een betere wereld, met het principe van
het grootste geluk voor iedereen (PGG), kan de utilitarist als hij
niet oppast, zichzelf en de mensheid in het algemeen te kort doen in
zijn streven naar een zo effectief mogelijke manier om het grootste
geluk voor iedereen te bereiken.
De utilitarist heeft
de neiging teveel te rekenen en daardoor bestaat de kans dat de mens
gereduceerd wordt tot een 'pijn-en-plezier-machine'.
Hetgeen niet
bijdraagt aan het PGG (grootste geluk voor allen).
Al filosoferend en
lezend over wat Peter Venmans over het utilitarisme schreef, en door
dit te verbinden met de bezuinigingsacties op kunst en cultuur,
kreeg ik het vermoeden dat het kabinet Rutte 1 wellicht zo
onevenredig veel bezuinigde op kunst en cultuur omdat zij (wellicht)
te weinig op de hoogte waren van wat kunst, kunstenaarschap en
cultuur eigenlijk inhoudt.
En wat deze
begrippen impliceren.
Daarna ging ik de
ontheiliging van het individueel belang bevragen, welke mijns inziens
in deze maatschappij momenteel aan de orde is. Zo heb ik onder andere
in mijn onderzoek beschreven wat de ontheiliging van het individueel
belang voor Mill (die na Bentham het utilitarisme verder heeft
uitgebreid) in zijn leven teweeg heeft gebracht.
Mill stortte op een
bepaald moment in zijn leven in en kreeg een depressie als gevolg van
de utilitaristische opvoeding die zijn vader hem gegeven had. Deze
utilitaristische opvoeding was compleet gericht op nut, en negeerde
het emotionele aspect van een opvoeding. De ontheiliging van het
individueel belang in optima forma (het utilitair belang werd voorop
gesteld).
Vanuit
utilitaristisch standpunt naar de wereld kijken, houdt het risico in
dat men al te zeer gericht is op het nutsbesef, en daarmee de mens in
het algemeen zou kunnen gaan beschouwen als een robot (wellicht
zonder dat men zich daar bewust van is). Een economische robot-mens
die in staat is tot produceren, winst genereren, en bovenal om
telkens weer berekeningen te maken over welke te ondernemen handeling
hem of haar het meeste winst oplevert.
Dit is de
ontheiligde mens; ontdaan van alle 'franje', zoals
geloofsovertuiging, normen en waarden, gevoelens, driften en
verlangens.
Hierna ontdekte ik
hoe Mill zichzelf en zijn eigen 'individueel belang' uiteindelijk
heeft kunnen 'terugvinden' door het lezen van een roman.
Dit
beschrijft Peter
Venmans als volgt:
Peter
Venmans –'Over
de zin van nut' (pag.75):
''En dan schrijft
Mill in zijn eigen autobiografie: 'Ik zag de scene en alle
bijbehorende gevoelens levendig voor me en ik was tot tranen toe
bewogen. Vanaf dat moment werd mijn last lichter om te dragen. Het
terneerdrukkende idee dat alle gevoel in mij dood was, was
verdwenen. Ik was niet langer hopeloos verloren, ik was niet van
steen'.''
Volgens mij
beschrijven de voorgaande zinnen in een notendop wat de makke is van
zowel de opvoeding die Mill genoten heeft als van het utilitaristisch
denken van Bentham; het gevoelsaspect krijgt door het
rendementsdenken een te geringe rol toegekend.
Gevoel is in de
eerste plaats een beleving, een privé-aangelegenheid, dat echter
door velen gedeeld kan worden, soms zelfs tegelijkertijd.
Bijvoorbeeld in een bioscoopzaal, wanneer men naar een spannende film
zit te kijken. Een goede film kan ervoor zorgen dat iedereen
tegelijkertijd hetzelfde moment van spanning en/of dezelfde emotie
tijdelijk in zichzelf waarneemt. Hiermee wordt 'het hart vervuld',
zou je kunnen zeggen.
Laten wij het
principe van het rendementsdenken los op het beleven van een film,
dan zouden we daar op verschillende manieren tegenaan kunnen kijken.
In eerste instantie
zou men het aspect van 'het hart vervullen' kunnen definiëren als
een vorm van genot, waarbij het genot nog zou kunnen worden opgedeeld
in 'hogere' of 'lagere' genietingen.
Vanuit negatief
utilitarisme beschouwd (het voorkomen van lijden) zou het kijken naar
een film, of naar een ander soort kunstwerk niet noodzakelijk hoeven
zijn voor een volwaardig bestaan als mens.
Vanuit positief
utilitarisme bekeken (maximalisering van het geluk) echter wel.
Omdat de film, of
iets anders kunstzinnigs, 'het hart kan vervullen', zou het kunnen
bijdragen aan de maximalisering van
het geluk.
'Het hart
vervullen'; wellicht is dat 'de' taak (als er al 'een taak' is of
moet zijn) van de kunst.
Hierop heb ik het
kunstenaarschap zelf bevraagd en geprobeerd om te ontrafelen wat het
kunstenaarschap onderscheid van de meer concrete, pragmatische
beroepen als bijvoorbeeld het beroep van loodgieter.
Ik kwam erop uit dat
in het algemeen gesproken de kunstenaar ten op zich te van de
loodgieter meer uniek is (vanwege zijn/haar talent, unieke kijk op
dingen, bijzondere denk en/of werkwijze) en daarmee minder
inwisselbaar is dan de loodgieter (behalve als bijv. de ene loodgieter
die erg onvriendelijk is wordt vergeleken met een hele vriendelijke,
maar dan nog is het verschil vrij minimaal t.o.v. het verschil in
uniciteit tussen kunstenaar en loodgieter).
Daarna heb ik de
verschillende soorten kunstenaarschap uiteen gezet aan de hand van
het boek 'De mythe van het kunstenaarschap' van Camiel van Winkel.
Daarbij stuitend op
de complexiteit van het begrip 'kunstenaarschap' an sich;
volgens van Winkel in zijn boek 'De mythe van het kunstenaarschap'
zijn er drie verschillende soorten kunstenaarschap te onderscheiden:
het romantische, het
modernistische en het 'Beau-Artsmodel'. En dan is er nog de
complexiteit die de verschillende soorten kunstenaarschap in zichzelf
waarborgen.
Vanuit de
verkenningstocht naar de betekenis van het nutsdenken, naar het
definiëren van het kunstenaarschap, begon ik mij af te vragen hoe
wij als maatschappij, en ik als individu, zouden kunnen losraken uit
de ijzeren greep van het nutsdenken.
Want dat het
nutsdenken zo zijn schaduwkanten heeft, had ik gaandeweg mijn
onderzoek wel ontdekt en onder woorden gebracht.
Het beleid ten
opzichte van kunst en cultuur van het kabinet Rutte 1 is mijns
inziens een exemplarisch voorbeeld van het nutsdenken.
Het nutsdenken biedt
de valstrik van het uitsluiten van wat ik de 'ondefinieerbare factor'
noem. En moeilijk te definiëren zaken als 'het nut van kunst' vallen
dan al snel buiten de boot die 'financiering door de overheid' heet.
Heden ten dage is
het nuts – en rendementsdenken tot in alle facetten van de
samenleving doorgedrongen; niet alleen tot in de bedrijven die van
oudsher gericht zijn op winst maken, zelfs in de zorg en de
kunstwereld.
Het rendementsdenken
lijkt nog het enige houvast te zijn dat wij hebben.
Met de recente
wereldwijde economische crisis worden wij als mensheid ook daarin op
het matje geroepen doordat wij onszelf in onze eigen staart lijken
hebben te gebeten.
De geluksmachine is
kaduuk.
Wij mensen hebben de
neiging een 'zin' te willen voelen, beleven en/of bedenken. Anders
zou religie waarschijnlijk ook niet zoveel 'klanten' hebben gehad. En
zou het nutsdenken niet zo'n grote weerklank hebben gevonden in de
moderne Westerse maatschappij.
Het levert echter
wel een complex vraagstuk op.
Want wat gebeurt er
als het zinvolle van 'iets' (dat je doet bijvoorbeeld) pas achteraf
duidelijk wordt?
Dan is het een
gemiste kans als je iets al dan niet doet op basis van het van het al
dan niet te voren vastgestelde 'nut'. Je kunt immers niet àlles
van te voren voorspellen.
Ergo; je moet het
nut van iets daadwerkelijk zelf kunnen ervaren voordat je er iets
over kunt zeggen.
Zelf
heb ik mij eveneens van kinds af aan afgevraagd wat het nut, ofwel de
zin is, van mijn eigen bestaan. Wat ik er eigenlijk 'toe deed'; wat
de zin van mijn leven is, en wat het leven an
sich
voor zin heeft, of zou kunnen hebben.
Vanwege mijn Christelijke opvoeding probeerde ik in in eerste instantie in het
Christendom mijn 'heil' te vinden. God zou een bedoeling hebben met
de mensen, en zo ook met mij. Wat die bedoeling precies was, dat zou
gedurende mijn leven wel gaan blijken.
Toch was deze
gedachtegang voor mij niet bevredigend en ben ik toen ik al vrij jong
was aan het geloof gaan twijfelen.
Ik voelde mij er
niet prettig bij om voetstoots aan te nemen dat er een God zou
bestaan, en dat die aanname mijn leven als vanzelf zin zou geven. Ten
eerste bleek het niet eens (wetenschappelijk) bewezen te zijn dat er
een God bestond, ten tweede vond ik dat er een zekere mate van
hypocrisie met het geloof gepaard ging. Niet zozeer met het geloven
zelf, want dat is een privéaangelegenheid. De uitvoering echter,
achtte ik wat discutabel.
Want wie bepaalt wat
God heeft bepaalt?
Na
mijn geloofstwijfel begon ik mij af te vragen of ik überhaupt wel
wílde
geloven dat er 'een zin' was in het leven.
Is
het niet te beperkend om dat te willen geloven? Is het niet de angst
dat het leven misschien géén
zin heeft, die dan in feite regeert over de rede, vroeg ik mij af?
Toch
merkte ik dat ik me bij het idee dat mijn leven – en 'het leven' in
het algemeen – géén
zin zou hebben toch ook niet helemaal prettig voelde. Hoewel 'prettig
voelen' voor mij geen reden hoeft te zijn om een religie of standpunt
aan te klampen, vond ik dit onprettige gevoel toch ook weer een reden
om te gaan twijfelen. Aan mijn twijfelen.
De volgende vraag
die ik mijzelf stelde was: heeft het eigenlijk wel zin om je af te
vragen of iets zin heeft?
Zodra je je af gaat
vragen wat iets kan betekenen oftewel gaat nadenken over iets dat
gewoon 'is', kan je het contact met het moment zelf of de ervaring
waarin datgene plaatsvindt, al vrij snel weer verloren zijn.
Het is een beetje
als het uitleggen van een grap. Of als nadenken over de liefde. Het
mooie van de liefde is nou juist dat er niet over nagedacht hoeft te
worden, omdat liefde enkel 'is'. In al zijn glorieuze eenvoud. En een
grap is niet grappig meer als het wordt uitgelegd.
Toch zit het
blijkbaar in de mens, om zich dingen af te willen vragen, en te
willen analyseren en begrijpen hoe dingen in elkaar zitten.
Ook als men daar
uiteindelijk niet per definitie gelukkiger van wordt.
Ik denk, dus ik
besta.
In onze hedendaagse
menselijke neiging alles (wat menselijk is) te willen controleren,
analyseren, reguleren en daarmee proberen te bezweren, vergeten we
wellicht om waarde te hechten aan datgene wat niet te omschrijven
valt.
Het (weerloze)
ondefinieerbare.
Waar sta je
vervolgens nog als kunstenaar zijnde?
Hoe kan je jezelf
weren tegen mensen of 'de overheid' die het nut van jouw (levens)werk
in twijfel trekken?
Wat is het antwoord
op de vraag naar rendement, opbrengst, en een manier om uit de cirkel
van nutsdenken, procesmanagement, en concrete probleemkunst (zoals
Arjen Lubach het noemde in zijn column 'Op eigen kracht' voor CJP
Magazine, oktober 2011) te kunnen stappen?
Mijn antwoord op
deze vragen heb ik onder andere gevonden in een artikel van Jeroen
Boomgaard, waarin hij pleit voor de herverovering van de autonomie
van de kunstenaar.
Jeroen
Boomgaard
pleitte in een artikel getiteld:
'Radicale autonomie – kunst ten tijde van procesmanagement'
in 'Open' (nr. 10, 2006) voor 'radicale autonomie' van de kunstenaar.
Hij begint zijn stuk
met de volgende woorden:
''Sinds de kunst
steeds vaker wordt ingezet in publiek-private ontwikkelingsprocessen
wordt van haar een duidelijk omschreven effect verlangd. De autonome
positie van de kunstenaar wordt daarbij gerelativeerd''.
Verderop in dit
artikel schrijft hij:
''Door de autonomie
van de kunst op te offeren aan haar maatschappelijke relevantie, nam
men voor lief dat de kunst haar onaantastbaarheid verloor – en dat
terwijl autonomie juist het kenmerk is waarin de kunst zich het
meest maatschappelijk betoont.''
Jeroen Boomgaard
beschrijft in zijn artikel de manier waarop de autonomie van de kunst
de afgelopen decennia in het verdomhoekje geraakt is, en door
procesmanagement teveel onderdeel geworden van processen die door de
overheid gestuurd zijn (en gefinancierd).
De autonomie van de
kunstenaar is uiteindelijk hetgeen hem onderscheidt van alle andere
mensen in andersoortige beroepen. De autonomie van de kunstenaar
geeft hem de vrijheid en tegelijkertijd de urgentie voor het maken
van werk.
Autonomie gaat niet
over nut, het berekenen van een opbrengst of deelgenoot worden van
maatschappelijke processen of onderdeel worden van verschillende
belangenpartijen.
Het enige belang van
de kunstenaar is zijn eigen belang.
En dat belang zou in
grote mate moeten bestaan uit autonomie.
Het is de taak van
de kunstenaar om dat te koesteren en te beschermen. Dat lijkt mij de
enige manier om weerstand te kunnen bieden tegen een wereld die niet
altijd begrip kan opbrengen voor wat het kunstenaarschap behelst, en
voor het belang van kunst.
Autonome
kunst gaat verder dan louter 'nut' en kan daarmee boven zichzelf en
het nut van zichzelf uitstijgen om daarmee een ondefinieerbare waarde
scheppen die mensen boven zichzelf kan laten uitstijgen en mensen
daarmee laten beseffen dat er méér
is in het leven dan louter de consumptie van de werkelijkheid van
alledag.
'Het
kunstwerk produceert aanwezigheid, het consumeert niet' schrijft
Boomgaard.
Met deze
'aanwezigheid' voegt het kunstwerk iets toe aan de werkelijkheid
zoals wij die (denken te) kennen.
Boomgaard
schrijft verder:
''Het autonome
kunstwerk beantwoordt aan de vraag naar het afwijkende, het andere
dat de fantasie weer kan voeden, maar het doet het op een manier die
de verwachting verstoord''.
Ergo; autonome kunst
valt niet te betrekken in economische modellen, onder andere omdat
het vragen stelt.
Juist
óver
die modellen.
En het laat zich
niet leiden door het 'nut', edoch juist door iets 'hogers'. En iets
dat niet per definitie in een beleid te vangen valt. Of valt te
berekenen of te reguleren.
Boomgaard
besluit zijn stuk met de woorden:
''De autonome actie
van een kunstenaar tekent de wereld zoals we haar nog niet kennen. De
interactie kan slechts ademloos volgen.''
Hier kan ik mij
helemaal in vinden. Radicale autonomie lijkt mij het enige juiste
antwoord op de existentiële vragen waar ik als kunstenaar (in spe)
mee zit.
Ik creëer, dus ik
ben.
Ik maak kunst, omdat
ik dat wil, en omdat ìk
het gevoel heb dat dat moet.
©
Jiska de Vries 2013
Hele onderzoek is hier te lezen.
Bibliografie
Boeken;
Peter
Venmans – Over de zin van nut – Uitgeverij Atlas Amsterdam, 2008
– ISBN 978-90-450-0630-7
Camiel
van Winkel – De mythe van het kunstenaarschap – Fonds voor
beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst, 2007 – ISBN
978-90-76936-19-2
Van
Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal – door Prof. Dr. G.
Geerst en Dr. H. Heestermans – Van Dale Lexicografie
Utrecht-Antwerpen, 1992 – Twaalfde, herziene druk – ISBN
90-6648-412-8, ISBN 90-6648-413-6, ISBN 90-6648-414-4
Artikelen;
Gerrit Komrij –
column NRC Handselblad – 11 augustus 2011
Camiel van Winkel –
Metropolis M – artikel 'Wat er is misgegaan' – april 2011
Arjen Lubach –
column CJP Magazine – oktober 2011
Jeroen Boomgaard –
artikel 'Radicale autonomie – kunst ten tijde van procesmanagement'
– Open nr. 10 – 2006
Websites;
Wikipedia
NL (http://nl.wikipedia.org/wiki/Hoofdpagina)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten