donderdag 15 augustus 2013

Pleidooi voor de herwaardering van dat wat niet te definiëren valt

Auteur: Jiska de Vries

Pleidooi voor de herwaardering van dat wat niet te definiëren valt Hoe het rendementsdenken in de politiek leidt tot de ontheiliging van het individueel belang

Verslag van een persoonlijke zoektocht naar het nut van kunst en waarom er onevenredig veel bezuinigd is op kunst en cultuur door het kabinet Rutte I

In het jaar dat kabinet Rutte 1 aan de macht kwam (2010) en onevenredig veel bezuinigde op kunst en cultuur vroeg ik mij af wat het nut van kunst eigenlijk is, of er wel zoiets bestaat als het nut van kunst, en zo ja; hoe zou ik dat nut dan kunnen omschrijven?
Dat werd mijn motief voor het schrijven van een verkennend onderzoek naar de mogelijke motieven van het kabinet Rutte I om onevenredig veel te bezuinigen op kunst en cultuur.

Toen ik klaar was met schrijven, viel het kabinet (2012).

Dit is het verslag van mijn onderzoek.

Vooraleerst ben ik via verschillende woordenboeken en encyclopedieën de verschillende definities die er bestaan over het begrip 'nut' gaan onderzoeken en analyseren. Dit om een beeld te kunnen schetsen van hoe talig de definitie van 'nut' eigenlijk is en hoe snel je daarbij op onevenredigheden en verwarrende definities stuit.
Door het definiëren van het 'nut' ontstond er de conclusie dat een daadwerkelijke definitie van het begrip 'nut' mijns inziens pas kan ontstaan door het algehele beeld dat geschetst wordt door meerdere definities naast elkaar te leggen.
Het was moeilijk een definitieve definitie te vinden omdat de ene definitie bijv. wel correct omschreven was, edoch niet allesomvattend. Terwijl de andere definitie erg kort-door-de-bocht was, maar daardoor wel dichter bij de werkelijkheid leek te staan de andere.
In de Westerse maatschappij lijkt er de 'gedefinieerde consensus' te zijn bereikt dat het nut van 'iets' bepaalt moet worden naar de mate waarin het iets (positiefs) oplevert, voor de mens in het algemeen of de mens als individu.

Via de definitie van het nut ben ik terecht gekomen bij Peter Venmans, waarvan ik meer heb geleerd over wat het begrip nut allemaal impliceert, en over het 'utilitarisme' van Bentham (later Mill). Tijdens het lezen van Peter Venmans' boek 'Over de zin van nut' kwam ik erachter dat het nutsdenken zowel in mij, als ook in grote mate in de maatschappij zoals wij die nu kennen verweven zit.
Veel meer dan ik mij tot dat moment bewust was.

Hierna kwam ik terecht bij het begrip 'geluk' en wat dat begrip impliceert. Hierbij kwam ik via persoonlijke bespiegeling tot de conclusie dat de perceptie van geluk wat mij betreft voor een groot deel te maken heeft met de mate waarin ik het gevoel heb controle te hebben over mijn eigen leven.
Ik kwam erachter dat er ook momenten zijn dat 'nut' en 'geluk' samen kunnen gaan.
Bijvoorbeeld als men geniet van het werk dat men doet.
Ook kwam ik erachter dat het moeilijk is geluk te meten, maar dat het begrip 'geluk' deels te maken heeft met 'genieten'. 'Genieten' kan – zo heeft het lezen over utilitarisme mij geleerd – vervolgens worden opgedeeld in 'hogere' en 'lagere' genietingen.

Het verschil tussen lagere en hogere genietingen zit hem in het aspect van gemak.
Hoe complexer hetgeen in elkaar zit waarvan men geniet, bijvoorbeeld klassieke muziek, hoe 'hoger' de genieting wordt genoemd. Het is het verschil tussen bijvoorbeeld het luisteren naar klassieke muziek en 'simpel te begrijpen' volksmuziek.
Voor het laatste hoeft men weinig moeite te doen om het te begrijpen en er aldus van te kunnen genieten. Voor het eerste wel. Want klassieke muziek is van zichzelf minder toegankelijk om naar te luisteren (omdat het complexer in elkaar zit).

Voorts zijn volgens Mill complexe genoegens van een hogere orde dan de eenvoudigere vormen van genieten. Het verschil tussen het luisteren naar hoogstaande klassieke muziek en het kijken naar een voetbalwedstrijd.
Volgens Mill zijn de eerste genietingen niet alleen een hogere en complexere vorm van genieten, ze zijn volgens Mill ook bevredigender.
Toch moet iedereen met een klein beetje realiteitszin constateren dat de meer eenvoudigere genietingen, zoals het kijken naar een voetbalwedstrijd, in de huidige tijd en in ons land in ieder geval op meer publiek en waardering kunnen rekenen dan de zogenoemde 'hogere vormen' van genot (hiermee wil ik trouwens niet zeggen dat kijken naar een voetbalwedstrijd per definitie laag-bij-de-gronds zou zijn; dat zou te ver gaan).

Wellicht worden 'hogere vormen van genieten' minder gewaardeerd omdat complexere genoegens meer moeite kosten om op te zoeken, te begrijpen en daardoor te kunnen beleven?

Is het niet zonde dat zoveel mensen die complexere vormen van genieten mislopen?

En wat vindt Mill daar eigenlijk van?
Peter Venmans verteld het u:
Peter Venmans – 'Over de zin van nut' (pag.84):

''Volgens Mill vergissen zij zich – hij kan niet anders zeggen – maar dat hoeft niet zo erg te zijn, want daar speelt de vrijheid ten volle.''

Zou het echt vrijheid zijn die hierbij een rol speelt?
Dat betwijfel ik.
Natuurlijk heeft iedereen in ons land in theorie (!) de vrijheid om keuzes te maken in de vormen van genot. Toch is het mijns inziens de vraag of mensen die keuze wel adequaat kunnen maken.
Voor mensen die nooit enige vorm van scholing hebben genoten over bijvoorbeeld schilderkunst of klassieke muziek, zal het genieten hiervan waarschijnlijk niet snel tot de keuzemogelijkheden behoren (een enkele nieuwsgierige uitzondering daargelaten).
En laat dat nou het gat zijn dat het onderwijs tot nog toe niet gedicht heeft.
Er is op de lagere en middelbare school voor het gros van de leerlingen slechts in zeer beperkte mate onderwijs over wat kunst is of wat klassieke muziek is; en vooral, wat de verschillende manieren zijn om hiernaar te kijken en/of luisteren.
Naast onderwijs zou hierin opvoeding nog een verschil kunnen maken. Toch is de tendens in ons land de afgelopen jaren dat de opvoeding hoofdzakelijk wordt uitbesteed aan het onderwijs.
Van ouders hoeven we denk ik dus niet veel te verwachten wat dit betreft.
Bovendien, ook al zouden sommige ouders hun kinderen iets willen bijbrengen over bijvoorbeeld kunst of klassieke muziek, zij zullen hierin waarschijnlijk in veel gevallen ook (te) weinig onderwijs hebben genoten, en zo zullen ook zij waarschijnlijk al te vaak met 'lege handen' komen te staan.

Terwijl enig begrip van een kunstwerk, bepaalde kennis over een kunstenaar of over de kunstgeschiedenis de perceptie van kunst bij 'het grote publiek' mijns inziens al zou kunnen doen veranderen.

Ik denk dat veel mensen zich als het ware buitengesloten voelen door de ´schone kunsten´ zoals klassieke muziek en beeldende kunst, eigenlijk door alle bronnen die kunnen leiden tot hogere, complexere vormen van genot; omdat zij het niet begrijpen.
Men begrijpt het werk van de musicus of kunstenaar niet of slechts in geringe mate, en dat onbegrip roept – volgens mij – weerstand op. Vervolgens wordt het 'nut' ervan in twijfel getrokken. Want wie niet begrijpt wat iets betekent, of zou kunnen betekenen, kan ook niet zien wat het hem/haar kan 'opleveren'.
Om even in utilitaristische termen te blijven spreken.

Bij een loodgieter is het duidelijker; de gootsteen zit verstopt en de loodgieter komt het probleem wel even oplossen.
Daar valt weinig aan af te dingen.
Bij een kunstenaar ligt de 'opbrengst' van zijn of haar werk op een veel abstracter (soms ondefinieerbaar) niveau. En met te weinig begrip en/of vermogen om te begrijpen wat dat abstracte betekent, kan deze opbrengst al snel als ´verwaarloosbaar´ worden aangezien.

Interessant wanneer ik mijn voorgaande zinnen teruglees, vind ik de woorden 'daar valt weinig aan af te dingen'. Dat geeft een economische manier van redeneren weer, en de woordkeuze lijkt mij een kant en klare uiting van het rendementsdenken.
Het moge duidelijk zijn dat ook ik een kind ben van deze tijd, de tijd waarin het utilitaristisch denken tot een ware volkssport lijkt te zijn verheven.

In het utilitaristisch streven naar een betere wereld, met het principe van het grootste geluk voor iedereen (PGG), kan de utilitarist als hij niet oppast, zichzelf en de mensheid in het algemeen te kort doen in zijn streven naar een zo effectief mogelijke manier om het grootste geluk voor iedereen te bereiken.
De utilitarist heeft de neiging teveel te rekenen en daardoor bestaat de kans dat de mens gereduceerd wordt tot een 'pijn-en-plezier-machine'.
Hetgeen niet bijdraagt aan het PGG (grootste geluk voor allen).

Al filosoferend en lezend over wat Peter Venmans over het utilitarisme schreef, en door dit te verbinden met de bezuinigingsacties op kunst en cultuur, kreeg ik het vermoeden dat het kabinet  Rutte 1 wellicht zo onevenredig veel bezuinigde op kunst en cultuur omdat zij (wellicht) te weinig op de hoogte waren van wat kunst, kunstenaarschap en cultuur eigenlijk inhoudt.
En wat deze begrippen impliceren.

Daarna ging ik de ontheiliging van het individueel belang bevragen, welke mijns inziens in deze maatschappij momenteel aan de orde is. Zo heb ik onder andere in mijn onderzoek beschreven wat de ontheiliging van het individueel belang voor Mill (die na Bentham het utilitarisme verder heeft uitgebreid) in zijn leven teweeg heeft gebracht.
Mill stortte op een bepaald moment in zijn leven in en kreeg een depressie als gevolg van de utilitaristische opvoeding die zijn vader hem gegeven had. Deze utilitaristische opvoeding was compleet gericht op nut, en negeerde het emotionele aspect van een opvoeding. De ontheiliging van het individueel belang in optima forma (het utilitair belang werd voorop gesteld).

Vanuit utilitaristisch standpunt naar de wereld kijken, houdt het risico in dat men al te zeer gericht is op het nutsbesef, en daarmee de mens in het algemeen zou kunnen gaan beschouwen als een robot (wellicht zonder dat men zich daar bewust van is). Een economische robot-mens die in staat is tot produceren, winst genereren, en bovenal om telkens weer berekeningen te maken over welke te ondernemen handeling hem of haar het meeste winst oplevert.
Dit is de ontheiligde mens; ontdaan van alle 'franje', zoals geloofsovertuiging, normen en waarden, gevoelens, driften en verlangens.

Hierna ontdekte ik hoe Mill zichzelf en zijn eigen 'individueel belang' uiteindelijk heeft kunnen 'terugvinden' door het lezen van een roman.

Dit beschrijft Peter Venmans als volgt:

Peter Venmans –'Over de zin van nut' (pag.75):

''En dan schrijft Mill in zijn eigen autobiografie: 'Ik zag de scene en alle bijbehorende gevoelens levendig voor me en ik was tot tranen toe bewogen. Vanaf dat moment werd mijn last lichter om te dragen. Het terneerdrukkende idee dat alle gevoel in mij dood was, was verdwenen. Ik was niet langer hopeloos verloren, ik was niet van steen'.''

Volgens mij beschrijven de voorgaande zinnen in een notendop wat de makke is van zowel de opvoeding die Mill genoten heeft als van het utilitaristisch denken van Bentham; het gevoelsaspect krijgt door het rendementsdenken een te geringe rol toegekend.

Gevoel is in de eerste plaats een beleving, een privé-aangelegenheid, dat echter door velen gedeeld kan worden, soms zelfs tegelijkertijd. Bijvoorbeeld in een bioscoopzaal, wanneer men naar een spannende film zit te kijken. Een goede film kan ervoor zorgen dat iedereen tegelijkertijd hetzelfde moment van spanning en/of dezelfde emotie tijdelijk in zichzelf waarneemt. Hiermee wordt 'het hart vervuld', zou je kunnen zeggen.
Laten wij het principe van het rendementsdenken los op het beleven van een film, dan zouden we daar op verschillende manieren tegenaan kunnen kijken.
In eerste instantie zou men het aspect van 'het hart vervullen' kunnen definiëren als een vorm van genot, waarbij het genot nog zou kunnen worden opgedeeld in 'hogere' of 'lagere' genietingen.
Vanuit negatief utilitarisme beschouwd (het voorkomen van lijden) zou het kijken naar een film, of naar een ander soort kunstwerk niet noodzakelijk hoeven zijn voor een volwaardig bestaan als mens.
Vanuit positief utilitarisme bekeken (maximalisering van het geluk) echter wel.
Omdat de film, of iets anders kunstzinnigs, 'het hart kan vervullen', zou het kunnen bijdragen aan de maximalisering van het geluk.

'Het hart vervullen'; wellicht is dat 'de' taak (als er al 'een taak' is of moet zijn) van de kunst.

Hierop heb ik het kunstenaarschap zelf bevraagd en geprobeerd om te ontrafelen wat het kunstenaarschap onderscheid van de meer concrete, pragmatische beroepen als bijvoorbeeld het beroep van loodgieter.
Ik kwam erop uit dat in het algemeen gesproken de kunstenaar ten op zich te van de loodgieter meer uniek is (vanwege zijn/haar talent, unieke kijk op dingen, bijzondere denk en/of werkwijze) en daarmee minder inwisselbaar is dan de loodgieter (behalve als bijv. de ene loodgieter die erg onvriendelijk is wordt vergeleken met een hele vriendelijke, maar dan nog is het verschil vrij minimaal t.o.v. het verschil in uniciteit tussen kunstenaar en loodgieter).

Daarna heb ik de verschillende soorten kunstenaarschap uiteen gezet aan de hand van het boek 'De mythe van het kunstenaarschap' van Camiel van Winkel.
Daarbij stuitend op de complexiteit van het begrip 'kunstenaarschap' an sich; volgens van Winkel in zijn boek 'De mythe van het kunstenaarschap' zijn er drie verschillende soorten kunstenaarschap te onderscheiden:
het romantische, het modernistische en het 'Beau-Artsmodel'. En dan is er nog de complexiteit die de verschillende soorten kunstenaarschap in zichzelf waarborgen.

Vanuit de verkenningstocht naar de betekenis van het nutsdenken, naar het definiëren van het kunstenaarschap, begon ik mij af te vragen hoe wij als maatschappij, en ik als individu, zouden kunnen losraken uit de ijzeren greep van het nutsdenken.
Want dat het nutsdenken zo zijn schaduwkanten heeft, had ik gaandeweg mijn onderzoek wel ontdekt en onder woorden gebracht.
Het beleid ten opzichte van kunst en cultuur van het kabinet Rutte 1 is mijns inziens een exemplarisch voorbeeld van het nutsdenken.
Het nutsdenken biedt de valstrik van het uitsluiten van wat ik de 'ondefinieerbare factor' noem. En moeilijk te definiëren zaken als 'het nut van kunst' vallen dan al snel buiten de boot die 'financiering door de overheid' heet.

Heden ten dage is het nuts – en rendementsdenken tot in alle facetten van de samenleving doorgedrongen; niet alleen tot in de bedrijven die van oudsher gericht zijn op winst maken, zelfs in de zorg en de kunstwereld.
Het rendementsdenken lijkt nog het enige houvast te zijn dat wij hebben.
Met de recente wereldwijde economische crisis worden wij als mensheid ook daarin op het matje geroepen doordat wij onszelf in onze eigen staart lijken hebben te gebeten.
De geluksmachine is kaduuk.

Wij mensen hebben de neiging een 'zin' te willen voelen, beleven en/of bedenken. Anders zou religie waarschijnlijk ook niet zoveel 'klanten' hebben gehad. En zou het nutsdenken niet zo'n grote weerklank hebben gevonden in de moderne Westerse maatschappij.
Het levert echter wel een complex vraagstuk op.
Want wat gebeurt er als het zinvolle van 'iets' (dat je doet bijvoorbeeld) pas achteraf duidelijk wordt?
Dan is het een gemiste kans als je iets al dan niet doet op basis van het van het al dan niet te voren vastgestelde 'nut'. Je kunt immers niet àlles van te voren voorspellen.

Ergo; je moet het nut van iets daadwerkelijk zelf kunnen ervaren voordat je er iets over kunt zeggen.

Zelf heb ik mij eveneens van kinds af aan afgevraagd wat het nut, ofwel de zin is, van mijn eigen bestaan. Wat ik er eigenlijk 'toe deed'; wat de zin van mijn leven is, en wat het leven an sich voor zin heeft, of zou kunnen hebben.
Vanwege mijn Christelijke opvoeding probeerde ik in in eerste instantie in het Christendom mijn 'heil' te vinden. God zou een bedoeling hebben met de mensen, en zo ook met mij. Wat die bedoeling precies was, dat zou gedurende mijn leven wel gaan blijken.
Toch was deze gedachtegang voor mij niet bevredigend en ben ik toen ik al vrij jong was aan het geloof gaan twijfelen.
Ik voelde mij er niet prettig bij om voetstoots aan te nemen dat er een God zou bestaan, en dat die aanname mijn leven als vanzelf zin zou geven. Ten eerste bleek het niet eens (wetenschappelijk) bewezen te zijn dat er een God bestond, ten tweede vond ik dat er een zekere mate van hypocrisie met het geloof gepaard ging. Niet zozeer met het geloven zelf, want dat is een privéaangelegenheid. De uitvoering echter, achtte ik wat discutabel.
Want wie bepaalt wat God heeft bepaalt?

Na mijn geloofstwijfel begon ik mij af te vragen of ik überhaupt wel wílde geloven dat er 'een zin' was in het leven.
Is het niet te beperkend om dat te willen geloven? Is het niet de angst dat het leven misschien géén zin heeft, die dan in feite regeert over de rede, vroeg ik mij af?
Toch merkte ik dat ik me bij het idee dat mijn leven – en 'het leven' in het algemeen – géén zin zou hebben toch ook niet helemaal prettig voelde. Hoewel 'prettig voelen' voor mij geen reden hoeft te zijn om een religie of standpunt aan te klampen, vond ik dit onprettige gevoel toch ook weer een reden om te gaan twijfelen. Aan mijn twijfelen.
De volgende vraag die ik mijzelf stelde was: heeft het eigenlijk wel zin om je af te vragen of iets zin heeft?

Zodra je je af gaat vragen wat iets kan betekenen oftewel gaat nadenken over iets dat gewoon 'is', kan je het contact met het moment zelf of de ervaring waarin datgene plaatsvindt, al vrij snel weer verloren zijn.
Het is een beetje als het uitleggen van een grap. Of als nadenken over de liefde. Het mooie van de liefde is nou juist dat er niet over nagedacht hoeft te worden, omdat liefde enkel 'is'. In al zijn glorieuze eenvoud. En een grap is niet grappig meer als het wordt uitgelegd.

Toch zit het blijkbaar in de mens, om zich dingen af te willen vragen, en te willen analyseren en begrijpen hoe dingen in elkaar zitten.
Ook als men daar uiteindelijk niet per definitie gelukkiger van wordt.
Ik denk, dus ik besta.

In onze hedendaagse menselijke neiging alles (wat menselijk is) te willen controleren, analyseren, reguleren en daarmee proberen te bezweren, vergeten we wellicht om waarde te hechten aan datgene wat niet te omschrijven valt.
Het (weerloze) ondefinieerbare.

Waar sta je vervolgens nog als kunstenaar zijnde?
Hoe kan je jezelf weren tegen mensen of 'de overheid' die het nut van jouw (levens)werk in twijfel trekken?
Wat is het antwoord op de vraag naar rendement, opbrengst, en een manier om uit de cirkel van nutsdenken, procesmanagement, en concrete probleemkunst (zoals Arjen Lubach het noemde in zijn column 'Op eigen kracht' voor CJP Magazine, oktober 2011) te kunnen stappen?

Mijn antwoord op deze vragen heb ik onder andere gevonden in een artikel van Jeroen Boomgaard, waarin hij pleit voor de herverovering van de autonomie van de kunstenaar.

Jeroen Boomgaard pleitte in een artikel getiteld: 'Radicale autonomie – kunst ten tijde van procesmanagement' in 'Open' (nr. 10, 2006) voor 'radicale autonomie' van de kunstenaar.

Hij begint zijn stuk met de volgende woorden:

''Sinds de kunst steeds vaker wordt ingezet in publiek-private ontwikkelingsprocessen wordt van haar een duidelijk omschreven effect verlangd. De autonome positie van de kunstenaar wordt daarbij gerelativeerd''.

Verderop in dit artikel schrijft hij:

''Door de autonomie van de kunst op te offeren aan haar maatschappelijke relevantie, nam men voor lief dat de kunst haar onaantastbaarheid verloor – en dat terwijl autonomie juist het kenmerk is waarin de kunst zich het meest maatschappelijk betoont.''

Jeroen Boomgaard beschrijft in zijn artikel de manier waarop de autonomie van de kunst de afgelopen decennia in het verdomhoekje geraakt is, en door procesmanagement teveel onderdeel geworden van processen die door de overheid gestuurd zijn (en gefinancierd).

De autonomie van de kunstenaar is uiteindelijk hetgeen hem onderscheidt van alle andere mensen in andersoortige beroepen. De autonomie van de kunstenaar geeft hem de vrijheid en tegelijkertijd de urgentie voor het maken van werk.
Autonomie gaat niet over nut, het berekenen van een opbrengst of deelgenoot worden van maatschappelijke processen of onderdeel worden van verschillende belangenpartijen.
Het enige belang van de kunstenaar is zijn eigen belang.
En dat belang zou in grote mate moeten bestaan uit autonomie.
Het is de taak van de kunstenaar om dat te koesteren en te beschermen. Dat lijkt mij de enige manier om weerstand te kunnen bieden tegen een wereld die niet altijd begrip kan opbrengen voor wat het kunstenaarschap behelst, en voor het belang van kunst.

Autonome kunst gaat verder dan louter 'nut' en kan daarmee boven zichzelf en het nut van zichzelf uitstijgen om daarmee een ondefinieerbare waarde scheppen die mensen boven zichzelf kan laten uitstijgen en mensen daarmee laten beseffen dat er méér is in het leven dan louter de consumptie van de werkelijkheid van alledag.

'Het kunstwerk produceert aanwezigheid, het consumeert niet' schrijft Boomgaard.
Met deze 'aanwezigheid' voegt het kunstwerk iets toe aan de werkelijkheid zoals wij die (denken te) kennen.
Boomgaard schrijft verder:

''Het autonome kunstwerk beantwoordt aan de vraag naar het afwijkende, het andere dat de fantasie weer kan voeden, maar het doet het op een manier die de verwachting verstoord''.

Ergo; autonome kunst valt niet te betrekken in economische modellen, onder andere omdat het vragen stelt.
Juist óver die modellen.
En het laat zich niet leiden door het 'nut', edoch juist door iets 'hogers'. En iets dat niet per definitie in een beleid te vangen valt. Of valt te berekenen of te reguleren.

Boomgaard besluit zijn stuk met de woorden:

''De autonome actie van een kunstenaar tekent de wereld zoals we haar nog niet kennen. De interactie kan slechts ademloos volgen.''

Hier kan ik mij helemaal in vinden. Radicale autonomie lijkt mij het enige juiste antwoord op de existentiële vragen waar ik als kunstenaar (in spe) mee zit.
Ik creëer, dus ik ben.
Ik maak kunst, omdat ik dat wil, en omdat ìk het gevoel heb dat dat moet.


© Jiska de Vries 2013

Hele onderzoek is hier te lezen.

Bibliografie


Boeken;

Peter Venmans – Over de zin van nut – Uitgeverij Atlas Amsterdam, 2008 – ISBN 978-90-450-0630-7

Camiel van Winkel – De mythe van het kunstenaarschap – Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst, 2007 – ISBN 978-90-76936-19-2

Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal – door Prof. Dr. G. Geerst en Dr. H. Heestermans – Van Dale Lexicografie Utrecht-Antwerpen, 1992 – Twaalfde, herziene druk – ISBN 90-6648-412-8, ISBN 90-6648-413-6, ISBN 90-6648-414-4

Artikelen;
Gerrit Komrij – column NRC Handselblad – 11 augustus 2011
Camiel van Winkel – Metropolis M – artikel 'Wat er is misgegaan' – april 2011
Arjen Lubach – column CJP Magazine – oktober 2011
Jeroen Boomgaard – artikel 'Radicale autonomie – kunst ten tijde van procesmanagement' – Open nr. 10 – 2006


Websites;